(Uit: Management & Consulting, april 2009)
Reorganiseren maakt werknemers ziek,
kopten dagbladen in februari. Aanleiding was een FNV-rapport (zie
kader) over de gevolgen van 'veranderingen op het werk'. Hoewel er
wel iets valt af te dingen op de kwaliteit van het onderzoek geven
de feitelijke conclusies te denken: mensen worden ziek door
onzekerheid. Wat kunnen interimmers en verandermanagers met die
conclusies?
De oogst van een weekje rondvissen met
het woord reorganisatie is niet erg positief. Overwegend meewarige
reacties volgen. Voetbalvriend Roeland (ICT-consultant) laat zich
non-verbaal uit met louter diepe zuchten. Vriend Frank (P&O,
zorg) laat weten dat hij vlak voor de zevende reorganisatie binnen
zes jaar de organisatie ontvluchtte. Vriendin Laura (leidinggevende,
zorg) rept van onbereikbare interim-managers met een continue stroom
eenzijdige oekazes zonder enig oog voor de gevolgen. Het beeld dat
het bij reorganisaties louter om kille saneringen gaat waarbij
interimmers als tijdelijke beulen worden ingehuurd staat kennelijk zo
vast als een huis. Wat te doen?
Reorganisaties zijn als burenruzies. De
globale uitkomsten staan -vanwege de juridische en economische
kaders- vaak al ruim van tevoren vast. Alleen is de weg naar de
precieze uitkomst van groot belang voor de werksfeer en
arbeidsvreugde erna, concludeert het FNV-rapport 'ziek door
onzekerheid'. Werknemers zien in meerderheid zowel de noodzaak tot
verandering als het nut van de bereikte resultaten, blijkt uit het
rapport. Alleen raken ze wel vaak ziek, moe en ongemotiveerd van de
manier waarop managers dingen veranderen; zonder werknemers
afdoende te informeren, zonder werknemers te raadplegen. Managers
moeten daar veel beter op letten, bevelen de onderzoekers aan, want,
zo stellen zij : 'Betrokkenheid heeft een positieve impuls op
veranderingsprocessen.'
'Het is een nieuw onderwerp voor ons,'
zegt Jan Warning, directeur Bureau Beroepsziektes FNV en
hoofdverantwoordelijk voor het rapport. 'Het is geen traditioneel
vakbondsthema, we letten meestal toch meer op de arbeidsrechtelijke
kant van de zaak. Ik vind de uitkomsten van groot belang. We zien
hier dat de mate van invloed op veranderingen bepalend is voor de
uitkomsten van die verandering. Eén
onderzoek maakt nog geen zomer, natuurlijk. Maar er zijn meer
rapporten waaruit dit blijkt. En als de vakbond zich vervolgens ook
gaat inzetten voor transparantie bij veranderingen, is dat weer een
volgende stap.' Warning zou graag zien dat managers voortaan opener
worden over hun plannen. 'Ook als je die plannen als manager nog niet
duidelijk hebt, ook als je nog helemaal niets weet. Niet waar je heen
wil, wat je gaat doen, zeg dit gewoon. Dat geeft werknemers houvast.
Dan hebben ze zicht op wat de managers doen en is er geen ruimte voor
spookverhalen.'
Arend Ardon kan niet anders dan dit
beamen. Ardon, in het dagelijks leven organisatieadviseur en vennoott
bij Holland Consulting Group, promoveerde afgelopen voorjaar op een
proefschrift over taaie veranderingsprocessen. Volgens Ardon slaan
managers onbedoeld het initiatief van de werknemers dood door hun
manier van handelen. 'Ik heb die taaie processen bekeken, hoe
managers zich gedragen op microniveau. Vooral als het spannend wordt
-bijvoorbeeld als medewerkers tegenstand vertonen- schakelen ze al
snel over op de automatische piloot, die zegt: 'zorg dat je alles in
de hand houdt!' Dit ziet eruit als de druk opvoeren, op medewerkers
blijven inpraten om hen te overtuigen. Die zeggen uiteindelijk wel
ja, ook als ze nee denken . Dat laatste komt alleen niet door, want
die manager schermt zich af voor informatie die hem of haar niet
uitkomt.'
Het resultaat is, zegt Ardon, dat
medewerkers zich reactief opstellen. 'Dat is natuurlijk al langer
bekend uit psychologisch onderzoek. Als mensen minder invloed hebben,
gaan ze passief gedrag vertonen en fysieke klachten ontwikkelen. Het
inzicht dat het FNV-rapport biedt is dus niet nieuw.' Ardon maakt
overigens wel bezwaar tegen de onderzoekspopulatie van het rapport.
'Alleen werknemers zijn hier geïnterviewd. Dat geeft een eenzijdig
beeld, dat is bekend. De top verwijst altijd naar de moeizame houding
van de medewerkers, terwijl deze op hun beurt wijzen naar de top. Je
hoort nooit: wij zijn zelf natuurlijk ook niet zo makkelijk. Daarbij
komt dat managers uit hoofde van hun functie altijd vooruit lopen,
waardoor medewerkers sowieso al een informatieachterstand hebben. Ik
heb in elk geval nog nooit meegemaakt dat de informatiebehoefte
bevredigd werd, of zelfs dat het teveel was. '
Toch, zegt Ardon, ligt de sleutel bij
de managers. Ook Anton Cozijnsen concludeerde dat, bij zijn promotie
in 2006. Cozijnsen onderzocht 144 reorganisaties, en vond dat 70%
mislukte, met name vanwege de ondoorzichtige manier van handelen.
Managers, beval Cozijnsen zijn collega's aan, moeten 1) veel
transparanter optreden, 2) moeten mensen die er toch uit moeten
direct wegsturen en 3) moeten mensen die goed meewerken daarvoor
belonen. Ardon over aanbeveling nummer 1: 'Die transparantie, dat
weten we al twintig jaar. We weten het allemaal, maar we doen het
niet. Telkens weer speelt dat inconsequente gedrag als het spannend
wordt. De kans dat het snel heel anders wordt schat ik daarom niet zo
hoog in.'
Jan Warning over aanbeveling nummer
twee: 'Zo snel mogelijk naar huis sturen gaat me veel te ver. Ik ken
verhalen van werknemers die na de ontslagmededeling niet eens meer
hun spullen mochten ophalen, uit angst voor wrok en sabotage. Als je
uitgaat van rancune heb je dat er als bedrijfsleiding zelf naar
gemaakt. Ik vind dat je elke arbeidsorganisatie moet zien als een
werkgemeenschap. Mensen zijn vaak meer dan
collega's.' Die opvatting valt in goede aarde bij
organisatieadviseur en professor Yvonne Burger. 'Soms wordt er vanuit
de spanning, stress en zeer menselijke ‘angst’ bij het management
niet zo fijn omgegaan met de mensen die het ‘slachtoffer’ zijn
van de reorganisatie. Uit heel veel onderzoek blijkt dat het
belangrijk is om mensen te betrekken bij reorganisaties. Dat dit
bijdraagt aan een goed organisatieklimaat en de duurzaamheid van de
verandering. Ook blijkt dat echte verandering niet plaatsvindt
doordat er zulke goede plannen geschreven zijn, maar dat de
effectiviteit ervan afhangt van de dagelijkse interacties tussen
managers en medewerkers.'
Hoe het dan wel moet, daarvoor wil
Arend Ardon wel een enkele tip geven. 'Als managers moeizame
verandering beschrijven, staan ze zelf meestal niet op die foto. Dat
vinden we allemaal hartstikke moeilijk, maar daar begint het wel. De
manager zou zich eens kunnen afvragen wat het met hem of haar te
maken heeft dat zij zo doen. Zich afvragen welk eigen gedrag
andermans gedrag oproept. Managers moeten zichzelf en hun mensen
vervolgens uit die vicieuze cirkel, uit dat muizenrad zien te
krijgen. Dat blijkt vaak te lukken als je open bespreekt hoe je
elkaar in de knel houdt. Maar dat is nieuw gedrag, waarbij je best
een beetje hulp kan gebruiken.'
Warning is het daar hartgrondig mee
eens. 'Mensen willen heus veranderen als ze zien dat ze er baat bij
hebben. Iedereen weet dat alles bij het oude houden niet per se het
beste is. Het is voor werknemers al beloning genoeg als ze zien dat
ze er greep op krijgen.' Warning besluit zijn onderzoek daarom ook
met de aanbeveling aan ondernemingsraden bij reorganisaties niet
alleen op de arbeidsrechtelijke zaken te letten, maar vooral ook
intensiever mee te doen met de communicatie rond veranderingen. Die
aanbeveling kan Ardon weer van harte onderschrijven. 'Juist zo'n OR
kan een bestuurder heel goed terzijde staan, bijvoorbeeld door
advocaat van de duivel te spelen. Als dat op een productieve manier
verloopt zal dat het veranderingsproces flink vooruit helpen.'
|