|
(uit Management & Consulting, dec2009)
Een Kinseyaan is jong, super
intelligent en voorbestemd een glansrijke carrière als consultant te
volgen bij een exclusief, niet te evenaren en daardoor bij vlagen
elitair bedrijf. Anderzijds, sommige Kinseyanen zijn iets te jong,
iets te snel en onvoldoende behept met praktisch fingerspitzengefühl.
En waarom moet alles eigenlijk zo geheimzinnig?
 screenshot van McKinsey.com
Het is verdomd lastig mensen van
McKinsey te spreken te krijgen. Tenminste, te spreken te krijgen over
zichzelf als McKinseyaan en het imago van het bedrijf om hen heen.
McKinsey zelf laat weten nimmer mee te werken aan geschreven
publicaties over zichzelf. Ook Alumnus Pieter Winsemius laat via
elektronische post weten weinig te voelen voor een reflecterend
gesprekje: 'Ik vrees dat ik pas. Ik ben al een tijdje weg bij McK en
heb sowieso aarzeling bij lui die 'verstandige taal' spreken over hun
oude clubs. Ik hoop dat u daar begrip voor zult hebben.' Andere
wegen leiden tot eenzelfde resultaat, of tot helemaal geen resultaat.
Een van de contacten antwoord: 'Ik geef je weinig kans. McKinsey zelf
zal wel geen informatie geven en de meeste 'alumni' zijn erg
terughoudend. Je kan beter een artikel schrijven over een andere
firma.'
Helaas, zo luidt de opdracht niet. Dan
maar andere kanalen aanboren. Uit die gesprekjes doemt een beeld op
van een mobiele brigade ultraknappe adviseurs, overal ter wereld voor
alles inzetbaar, maar met name voor de strategische vragen die ten
grondslag liggen aan langetermijnvisies van 's werelds
multinationals. Echt topnotch, zegt Toon Bouten, momenteel
'in between companies' maar de laatste twee decennia in dienst van
verschillende grote Europese bedrijven, waarvan de laatste jaren
meestal als CEO. 'Ik ben al heel
lang klant van McKinsey, eigenlijk al sinds 1985. En tot zeer grote
tevredenheid. Anders vraag ik hen natuurlijk ook niet bij herhaling
om raad. Wat McKinsey onderscheidt van soortgelijke consultancy
firma's is hun voorsprong op strategisch gebied. Ze hebben zo veel
ervaring, daar is voor andere ondernemingen eigenlijk niet tegen op
te boksen.'
De
feiten spreken voor zich. Multinationals huren voortdurend McKinsey
in, waaruit je de conclusie zou kunnen trekken dat een advies van
McKinsey meerwaarde geeft. Tientallen CEO's en andere bestuurders
hebben vroeg in hun carrièrepad bij McKinsey gezeten, waaruit je
eenzelfde conclusie mag trekken: de McKinseyaan is hors
categorie. Toon Bouten kent er
inmiddels heel wat: 'Ze zijn echt super intelligent, zonder
uitzondering. Ze zijn ook zeer communicatief, daar worden ze
uitvoerig op getraind. Daardoor kunnen ze goed op directieniveau
praten.' Erik Jan Hengstmengel, zelfstandig consultant te Duitsland,
kent de collega's van McKinsey uit zowel Nederland als Duitsland ook
aardig: 'Ik zie dat ze enorm hard werken om de beste mensen te
rekruteren. Cijferlijsten zijn daarbij maatgevend. Eenmaal gevonden
vertrekken de recruten naar een boot camp,
waar ze flink in de watten worden gelegd. Zo hijsen ze die mensen aan
boord.'
De
recruten van McKinsey kunnen hun verdere loopbaan bovendien putten
uit een ongeëvenaarde database, opgebouwd uit geanonimiseerde
-client confidentiality
is van levensbelang- gegevens verzameld in duizenden afgeronde
opdrachten. Resultaat is een gigantische historische database, te
raadplegen door alle McKinsey's wereldwijd. McKinsey
universities abstraheren de data
verder tot achterliggende determinanten en parameters, te publiceren
in bijvoorbeeld de McKinsey quarterlies.
Zo koppelt McKinsey uitmuntende individuele capaciteiten aan
waardevolle collectieve kennis. Toon Bouten: 'In hun database vinden
ze altijd antwoorden. Hun universitaire publicaties overstijgen
regelmatig academische publicaties.' De status van een
McKinsey-advies is zelfs zo groot, dat de inhoud soms minder ter zake
doet. De afzender op zich verschaft al voldoende legitimiteit.
Hengstmengel: 'Een bevriende CEO vertelde me laatst 'toch maar
McKinsey binnen te halen'. Ik zei: o, je hebt behoefte aan een stuk
legitimatie in je organisatie? Precies, antwoordde hij. Je kan
anderen overtuigen, als op je rapport het stempel van McKinsey
staat.'
 webquarterly McKinsey
Tot
zover de superlatieven. Er zijn ook mitsen en maren. McKinseyanen
zijn soms wat overdonderend, bijna iets te slim. Prominent zijn de
verhalen over hordes jonge MBA'ers die bedrijven op hun dak gestuurd
krijgen, nadat ze eerst in alle rust een opdracht gaven aan een
senior partner van McKinsey. Toon Bouten ziet daarin vooral een
gebrek aan de kant van de opdrachtgever: 'Ik heb in de loop der jaren
gemerkt dat het belangrijk is de juiste partners te vinden. McKinsey
gebruikt een hele hoop hele jonge mensen die net van de universiteit
af komen voor datacrunching.
Die zijn nodig, maar je moet dan wel opletten dat je genoeg tijd
krijgt van de ervaren partners die al langer bij McKinsey of elders
in het bedrijfsleven werken.' Voorwaarde voor een prettige
samenwerking, zegt Bouten, is dat je goed thuis bent in McKinsey, en
andersom: dat McKinsey wie jij bent: 'Ik ken een aantal mensen bij
McKinsey waar ik erg goed mee kan opschieten. Tegen hen zeg ik: ik
heb dit of dat project en dat vereist deze specialisatie. Jullie
weten met welk soort mensen ik graag werk. Dus zorg dat ik de mensen
die krijg te zien die zulke kwalificaties combineren.'
Naast
bovenstaande 'mits', kleeft er ook een hardnekkige 'maar' aan
McKinsey. McKinseyanen zijn onverslaanbaar in strategische adviezen,
in de langetermijnvisies, in het grote plaatje. Komt het aan op
implementeren, dan zoek je beter een ander bureau. Hengstmengel: 'Ze
willen graag meedoen aan implementatie, maar daar ligt niet hun
kracht. Dat is gewoon een andere professie. Dan moet je veel meer hands-on werken,
daarvoor heb je meer fingerspitzengefühl
nodig.' Toon Bouten is het hier maar gedeeltelijk mee eens: 'Ik heb
net een stuk implementatie afgerond bij mijn laatste bedrijf, met
redelijk wat mensen van McKinsey. Die hebben dat uitstekend gedaan.
Ik denk wel dat het belangrijk is dat je als bedrijf weet wat je wil.
Dat je niet McKinsey laat bepalen wat je wil. Je moet ze goed sturen.
Dat is vaak het zwakke van bedrijven die dat niet doen, en later
ontevreden zijn.'
Een stapje voorbij
het implementeren -in de operationele sfeer- vindt ook Bouten
McKinsey over gekwalificeerd. 'Als het erg operationeel wordt, daar
zijn anderen voor. Zijn ze ook te duur voor. Dan kan je beter met
anderen in zee gaan.' Erik Jan Hengstmengel haalt graag een ervaring
op uit zijn tijd bij Cap Gemini: 'McKinsey had voor een multinational
een complete nieuwe dienstverlenende organisatie uitgetekend. Daarna
belden ze ons om het implementatieproces mede te begeleiden. Al snel
bleek dat McKinsey daarvoor niet genoeg capaciteit had. Dus heeft de
klant McKinsey eruit gehaald en is alleen verder gegaan met ons.' Het
verklaart ook waarom zowel Hengstmengel als Bouten zich geen geboren
McKinseyaan noemen. Hengstmengel: 'Nee, ik ben een implementeerder,
ik realiseer ook graag wat ik adviseer. Daarmee ben ik niet geschikt
voor McKinsey. En niet geïnteresseerd in McKinsey.' Bouten: 'Ik zit
graag aan de operationele kant. Zit ook graag wat langer bij een
bedrijf, om daar iets op te bouwen. Ik ben geen McKinseyaan.'
Wat
McKinsey verder van de collega's onderscheidt is wat Bouten noemt de
'interessante partnerstructuur'. Want McKinseyaan kun je misschien
worden, maar niet altijd blijven. Er komt voor alle recruten een
moment van de waarheid: opt or out, partner
worden of vertrekken. Vertrekkers heten niet meteen mislukt, maar
geslaagde partners treden wel toe tot een selecte groep van ongeveer
anderhalfduizend mensen met zicht op een nog selecter genootschap van
tweehonderd senior partners, slechts bereikbaar na strenge ballotage.
Het is deze selectie die nu en dan in grote geheimzinnigheid
bijeenkomt om als ware kardinalen de McKinsey koers uit te stippelen
en uit hun midden een nieuwe paus te kiezen. Bouten: 'Ha, ha, als
kardinalen. Ja. Daar schijnen ze inderdaad redelijk lang over te
doen.'
Maar hoge bomen
vangen veel wind. En als je dan -zoals McKinsey- als adviseur hoog in
diezelfde bomen zit, krijg je regelmatig de volle laag. In boeken en
documentaires komt McKinsey er niet altijd even fris uit. Enron,
Swissair, genoeg schandalen waar McKinsey -verdiend of onverdiend-
aan wordt gelinkt. En als je dan -zoals McKinsey principieel doet-
niet meewerkt aan die verhalen over jezelf, dan doemt een eenzijdig
en weinig rooskleurig beeld op. In Duitsland bijvoorbeeld vescheen in
2006 'Beraten und verkauft, van Thomas Leif, met als ondertitel:
McKinsey & Co. - der große Bluff der Unternehmensberater.
Hengstmengel: 'Een bestseller. Het is vrij tendentieus geschreven,
eigenlijk is het 430 pagina's schoppen tegen McKinsey. Dat heeft
enorme opgang gemaakt in Duitsland. Er zijn hier grote
overheidsprojecten de mist ingegaan, waarbij McKinsey en anderen zeer
prominent bij betrokken waren. De vraag hier is: hoe komen ze aan hun
opdrachten, is dat wel kosher? En heeft het eigenlijk wel toegevoegde
waarde, of is het gewoon veel poppenkast?'
Maar
waarom werkt McKinsey dan niet mee aan boeken en verhalen, waarom
proberen ze het beeld niet wat te draaien? Is dat een bewuste
strategie: zich hullen in stilzwijgen, als de introverte, mysterieuze
man die daarmee alle vrouwen om zijn vinger windt? Toon Bouten denkt
van niet: 'Ik zie daar geen bewuste strategie in. Ik ervaar hen juist
als heel open over het reilen en zeilen van McKinsey zelf. Ze weten
heus wel dat je alleen door kritisch te denken je jezelf kan
verbeteren. Daar zijn ze slim genoeg voor.' Erik Jan Hengstmengel
ziet overigens wel een kentering: 'Kijk we hebben allemaal
last van grote kritiek, van onbegrip en verhalen over hoge tarieven,
dat is niet typerend voor McKinsey. Wat ik wel zie is dat ze
onderkennen dat ze de laatste jaren een beetje gesloten raakten voor
ideeën van buiten. Ze trekken nu wel ervaren mensen van buiten aan.
Ze hebben dus wel oog voor de negatieve kanten van hun
exclusiviteit.'
|